MOT - Grimbergen
MOT - Grimbergen
Het Museum voor de Oudere Technieken (MOT) in Grimbergen is een unieke plek waar vakmanschap, traditie en traagheid centraal staan. We gaan in gesprek met conservator Steven De Waele over historisch vakmanschap, beleven en vertragen.
Hoe is het MOT ontstaan?
Steven: De kiem werd 40 jaar geleden gelegd door mijn voorganger, een historisch-archeoloog die op zoek was naar een plek om technieken te bewaren en toegankelijk te maken die gebaseerd zijn op natuurlijke aandrijvingsbronnen: wind, water en spierkracht. Dus niet elektrisch, niet op stoom. In Grimbergen vond hij een burgemeester die net enkele historische gebouwen had aangekocht. Hij kreeg carte blanche: “Ik heb gebouwen, jij hebt een idee. Begin maar.”
En zo groeide het MOT uit tot een museum én kenniscentrum?
Steven: Inderdaad. We verzamelen en delen technieken, voorwerpen én documentatie. Onze bibliotheek is even belangrijk als onze objectencollectie. Maar wat ons echt uniek maakt, is dat we de technieken ook doen beleven. Want techniek, dat moet je ervaren — je moet de geur ruiken, het geluid horen, het ritme voelen.
Wat voor aanbod hebben jullie?
Steven: Naast tentoonstellingen en een uitgebreid digitaal aanbod, organiseren we demonstraties en workshops. We hebben twee watermolens, waarvan één maalvaardig, en een breed scala aan stages: van smeden, zilversmeden en bronsgieten tot messen slijpen, vishuiden looien en vakwerkbouw. Alles met de hand, zonder elektriciteit.

En hoe diep gaan die workshops?
Steven: We leiden geen vakmensen op. Je leert hier niet in drie dagen smeden. Wat je wél leert, is wat het inhoudt. Je wordt geprikkeld, je voelt of het iets voor jou is. Dan kun je verder: in een academie, bij een smid, met YouTube, wat dan ook.
Dat klinkt inspirerend. Hebben jullie ook deelnemers die na zo’n stage de stap zetten naar maker-zijn?
Steven: Ja, dat gebeurt. Misschien maar 5%, maar ze zijn er. Mensen die met vakwerkbouw of houtbewerking aan de slag gaan, hobbymatig of in bijberoep. Een ingenieur bosbeheer die ooit een stage volgde, werkt nu één dag per week als vakwerkbouwer. Dat is fantastisch. Dan weet je: het heeft iets wakker gemaakt.
Krijgen deelnemers tijdens zo’n stage ook een gevoel van gemeenschap?
Steven: Zeker. Bij de langere stages, zoals vakwerk of ovenbouw, zie je dat mensen een team vormen. Iedereen zoekt zijn rol — of je nu architect bent of bij de groendienst werkt. Op dag vijf, als het vakwerk rechtgezet wordt, is er pure euforie. Samen iets maken met natuurlijke materialen: dat raakt iets heel dieps.

Jullie lijken bewust te kiezen voor kleinschaligheid.
Steven: Absoluut. Liever twintig mensen die iets écht beleven dan een massa die alleen komt kijken. We vermijden ook teambuildings: die hebben vaak een andere insteek en leveren weinig echte overdracht van technische kennis op. Wij zijn geen funfabriek, we zijn een kenniscentrum en willen dat gemeenschapsgeld daarvoor ingezet wordt.
En qua doelpubliek?
Steven: We werken in het Nederlands en houden de kost zo laag mogelijk, maar een stagevakwerk kost toch nog 500 euro. Dus nee, superdivers zijn we niet. Maar het is ook geen niche voor enkel de elite. We hebben deelnemers van allerlei achtergronden. Wel jammer: we bereiken vaak mensen die al overtuigd zijn van het belang van duurzaamheid en ambacht. De echte uitdaging is om de bredere massa te bereiken.
Welke rol spelen jullie in het erfgoedlandschap? Werken jullie samen met andere musea?
Steven: We werken goed samen met o.a. het Karrenmuseum in Essen. Met Bokrijk is er overleg, maar onze visies en schaal zijn verschillend. Zij zijn groot, bekend, beschermd als monument, maar daardoor ook beperkt in wat ze zelf nog kunnen uitvoeren. Wij zijn klein en flexibel, wat maakt dat we dingen kunnen doen die elders niet lukken, zoals een volledige vakwerkstage organiseren.

Jullie gaan verder dan demonstraties: jullie willen productie.
Steven: Precies. Als je een plank zaagt, wil je die ook gebruiken. Demonstraties waar niets van gemaakt wordt, hebben weinig impact. Wij willen vakkennis doorgeven door échte dingen te maken: gebouwen, bakovens, planken... En ja, met de juiste kennis en zaag kunnen mensen met de hand net zo efficiënt planken zagen als met een machine.
Jullie ambitie reikt verder dan workshops?
Steven: Ja, we denken na over een toekomstig project waarbij we ingestorte delen van het kasteel hier in Grimbergen met traditionele technieken heropbouwen. Niet snel, niet groots, maar traag en doordacht. Stenen kappen in workshops die echt gebruikt worden — dat creëert betrokkenheid.

Wat is jullie visie op de relevantie van oudere technieken in een moderne wereld?
Steven: Oude technieken zijn duurzaam, energiezuinig en vaak zinvoller op kleine schaal. Je hoeft geen kettingzaag te gebruiken voor een tuintje van 50 m². Een goede bijl of handzaag volstaat, is stiller, veiliger en geeft meer voldoening. We willen geen nostalgie promoten, maar wél herwaardering. Techniek als hobby, als therapie, als verbinding met het verleden én de toekomst.
Dus, liever klein, traag en betekenisvol dan groot en snel?
Steven: Exact. We zouden alles kunnen commercialiseren, veel geld vragen, er een luxe-experience van maken. Maar dat doen we bewust niet. We willen toegankelijk blijven en zaadjes planten. Want wie hier iets leert, die neemt dat mee. En misschien wordt dat zaadje ooit een boom.
Foto's: MOT Grimbergen