FabLab - Antwerpen
FabLab - Antwerpen
Op de Antwerpse campus Wetenschappen en Technologie van Karel de Grote Hogeschool vind je een van de meest veelzijdige Fablabs van Vlaanderen. Geen commerciële maakplek, geen knutselatelier, maar een experimenteerruimte waar technologie, creativiteit en onderwijs elkaar ontmoeten.
Wat maakt dit Fablab zo bijzonder?
Mark, Fablab-coördinator: Het FabLab hier is ontstaan uit een klaslokaal met één 3D-printer. Toen kwam er een tweede, dan een lasercutter, en uiteindelijk werd de ruimte omgevormd tot een volwaardig lab. Wat ons uniek maakt, is dat we opereren binnen een onderwijscontext. We zijn er in de eerste plaats voor studenten en docenten, maar stellen onze deuren ook open voor externe makers, zij het op reservatie. Alles draait om leren, experimenteren en jezelf ontwikkelen.
Dus niet iedereen kan zomaar binnenwandelen en een project laten uitvoeren?
Mark: Nee. We zijn géén printshop. Hier kom je niet met een USB-stick en de vraag “Druk dit af in drievoud.” Je komt met een idee, een vraag, een ontwerp, en wij begeleiden je stap voor stap. We zijn een plek om te leren, te falen en te groeien. De mensen die hier iets willen maken, moeten bereid zijn om de technologie te leren begrijpen. Geen workshops van dertig man waarbij iedereen met een sleutelhanger naar huis gaat. Daar leer je niks van.
Wat is dan wél jullie aanpak?
Mark: Eén-op-één begeleiding. Iemand komt binnen, we helpen hen de machine gebruiken, begeleiden hen opnieuw als dat nodig is, en stilaan werken ze zelfstandig. Wie geen technische bagage heeft, krijgt hulp, maar moet ook zelf inspanning leveren. Vergelijk het met een keukenrobot: je moet weten welke knop je indrukt en waarom. Het is intuïtief, maar vergt betrokkenheid.
Dalvin, jij bent student én jobstudent in het FabLab. Waarom koos jij voor deze job?
Davlin: Ik studeerde eerst chemie, maar voelde dat ik daar niet volledig tot mijn recht kwam. Toen ontdekte ik het FabLab tijdens een rondleiding. Mijn ogen gingen open: een plek vol toestellen, methodes, materialen. Ik begon met eenvoudige projectjes, maar raakte almaar meer betrokken. Ondertussen begeleid ik anderen, leer ik zelf constant bij, en haal ik er enorm veel voldoening uit.

Wat geeft jou die voldoening?
Dalvin: Het idee dat ik zelf iets heb gemaakt, met mijn eigen handen en creativiteit. Maar ook het helpen van anderen: iemand begeleiden van “Ik weet niet hoe ik moet beginnen” tot “Wow, dit heb ik zelf gemaakt”. Die reis meemaken geeft een kick die je in weinig jobs vindt.
Wat voor mensen komen hier over de vloer?
Mark: Van studenten met een voorliefde voor elektronica tot modeontwerpers die nauwkeurige snedes willen maken. Van chemici tot ondernemers-in-spe die prototypes bouwen. Je hebt de ‘usual suspects’, studenten die al technisch onderlegd zijn, en dan heb je mensen zoals Paul, een gepensioneerde maker die hier wekelijks aan de slag gaat. De gedeelde factor is: het zijn allemaal makers.
Hoe zit het met falen? In veel onderwijssystemen is daar weinig ruimte voor.
Mark: Precies. Maar een Fablab ís een laboratorium. En experimenteren betekent ook falen. Hier mag dat nog. Studenten kunnen een fout maken, opnieuw proberen, en beter worden. Die ervaring maakt hen sterker. In het echte leven is daar minder ruimte voor, dus moet het hier kunnen.
En dat falen leidt tot innovatie?
Mark: Absoluut. Innovatie begint vaak met trial-and-error. Sommige externe bezoekers komen hier om een idee uit te testen: iets ontwerpen, printen, aanpassen, opnieuw testen. In bedrijven kost zo’n prototype duizenden euro’s. Hier kunnen ze op kleine schaal testen zonder groot risico. Dat maakt ons ook waardevol voor starters en kleine ondernemingen.

Zien beleidsmakers die waarde ook?
Mark: Niet altijd. Makerspaces vallen tussen de beleidsplooien: onderwijs, cultuur, economie. Dus krijgen ze soms te weinig structurele steun. Terwijl net hier de voedingsbodem ligt voor innovatie en ondernemerschap. Gelukkig beseft onze provincie dat wel: Provincie Antwerpen ondersteunt ons als subsidient.
Er zijn ook socioculturele maakplekken, zoals maakbibs. Hoe verhouden jullie je daartoe?
Mark: Dat is een andere functie. Een maakbib is laagdrempeliger, gericht op buurtwerking, jongeren, hobbyisten. Wij zijn een opleidingsplek waar het niveau technisch hoger ligt. Toch zie ik een toekomst waarin die functies elkaar versterken. Waar jong en oud, professioneel en hobbymatig, naast elkaar leren. Maar dat vraagt mensen met de juiste bagage en een goed begeleidingsmodel.
Zijn er ook kruisbestuivingen tussen afdelingen binnen de hogeschool?
Mark: Jazeker. We hebben studenten uit multimedia, chemie, biotechnologie, autotechniek, mode, vormgeving... Ze leren van elkaar. De ene weet alles van materiaalkennis, de andere van 3D-software. Dat maakt dit zo’n rijke leerplek. Het is een netwerk van kennisuitwisseling, veel meer dan een klassiek klaslokaal.
En hoe zit het met het nieuwe BioLab?
Mark: Het BioLab is veel specifieker. Het is gekoppeld aan biochemie en werkt rond bio-afbreekbare materialen. Het richt zich vooral op onderzoek en valt binnen een vakgebied. Bij ons is de instap veel breder. Maar als een modeontwerper hier bijvoorbeeld wil experimenteren met biogebaseerd leder, kunnen wij hem koppelen aan iemand in het BioLab. Die kruisbestuiving is de toekomst.
Tot slot: wat is jullie ultieme droom voor makerspaces?
Mark: Een plek in het hart van de stad of industriezone, waar studenten, ondernemers, creatievelingen en vakmensen samenkomen om ideeën uit te werken. Een centrum van innovatie, toegankelijk en laagdrempelig, waar kennis, creativiteit en techniek elkaar ontmoeten. Want daar begint het allemaal: bij het maken.
